Auteur archief

Aanmeldformulier uitreiking DoeMEE-Award

23, okt, 2017
Geen velden gevonden.

Hoe moeilijk kan het zijn om door een toegangspoortje te gaan?

24, apr, 2017

Roy, ervaringsdeskundige autisme bij MEE

Deltion! Ik moet nog weleens terugdenken aan de keer dat ik jou, Janine, vergezelde bij die autismewandeling voor docenten. Vooral aan die kloterige toegangspoortjes. Deels omdat ik schrok van mezelf. Deels schaamte. Hoe moeilijk kan het zijn om door een toegangspoortje te gaan? De dag daarna stond ik op het station in Zwolle. Om bij de trein te komen moest ik weer door toegangspoortjes. Gelukkig had ik voldoende tijd om een sigaret op te steken en van een afstandje te bekijken hoe die poortjes werken. Ik ben probleemloos door de poortjes gekomen en daarna begon de ellende. Veel nummers, pijlen en teksten om bij de trein te komen. Ik raakte volledig gedesoriënteerd en ik ging de verkeerde kant op. Ik moest mezelf tot de orde roepen en logisch gaan denken. Ik kon mezelf corrigeren en ik wist op het nippertje de trein te halen. Gelukkig! Ik haat het om ergens te laat te komen.

Ik moet nog regelmatig denken aan onze eerste gezamenlijke training in Barneveld. Voor de training hebben wij kort telefonisch contact gehad en de context voor de avond in Barneveld besproken. Na het ontvangen van de presentatie werd het allemaal wat duidelijker voor mij! Ben nogal visueel ingesteld, hè. Blond. Maat 38. Cup D. Geintje… Maar toch… ik ging iets doen wat ik nog nooit eerder gedaan had. Ik heb daar toch enkele nachten onrustig van geslapen. Uiteindelijk wist ik mezelf gerust te stellen met het feit dat ik alleen maar bij mezelf hoefde te blijven. Maar er was nog een probleem. Allemaal nieuwe onbekende mensen. Ook jij, Janine! Het verloop was prettig voor mij. Inmiddels zijn wij vele trainingen verder en dat gaat uitstekend. Ik vind het superfijn om met jou en andere collega’s samen te werken. Ook de positieve evaluaties van de deelnemers aan een training zijn altijd weer mooi om te lezen.

Ik had nogal wat problemen met sociale interactie. Dat is ook de reden dat ik met MEE in contact ben gekomen. Ik had MEE een email gezonden dat ik wilde deelnemen aan de cursus ‘Sociale contacten voor volwassenen’! Daar is een afspraak met een collega uitgekomen. Na een gesprek van 2 uur vroeg jouw collega aan mij om contact te zoeken met ErvaarMEE. Dat heb ik gedaan en dat heeft mij in korte tijd heel veel opgeleverd. Mijn sociale interactie is sterk verbeterd en MEE is voor mij een warm bad, het voelt als thuiskomen. Allemaal enthousiaste professionals die je niet veroordelen en mij op een fijne manier weten te ondersteunen. Soms denk ik weleens: hé, je kunt wel minder rekening houden met mij.

Janine, ik heb me heel vaak afgevraagd hoe het is om ‘normaal’ te zijn. Afgelopen week zat ik een uitzending van ‘Talent: Autisme’ te kijken. Daar werd de vraag gesteld: als er een pil zou zijn die autisme wegnam, zou jij die dan nemen? Mijn antwoord was nee! Het antwoord op televisie was ook nee. Met een pil die autisme wegneemt zou ik zou mijn specifieke vaardigheden kwijtraken. Jij hebt mij in Nunspeet gevraagd hoe ik het altijd met mijn werk heb gedaan. Ik heb daar voor mijn gevoel toen geen antwoord opgegeven. Omdat ik dat op dat moment niet goed wist. Maar nu wel: ik heb in het verleden tijdens mijn werk altijd gebruik kunnen maken van mijn specifieke vaardigheden. Vaardigheden die voor ‘normale’ mensen lastig of niet aan te leren zijn.

Ik vind het waanzinnig leuk om met jou en collega’s de trainingen te doen. Voor mij komt de veelzijdigheid goed uit. Geen training is hetzelfde!

Ode aan de ervaringsdeskundige

24, apr, 2017

Janine van Loenen, trainer MEE Veluwe en MEE IJsseloevers

Eigenlijk heb ik me altijd een beetje verloren gevoeld, zo zonder jou naast me, Roy! Het delen van jouw levenservaring opent zichtbaar de ogen.

Zoals die keer dat we op Deltion waren. Onze collega-trainer, jij en ik gaven een bijeenkomst ‘Beleef autisme’ aan docenten van de Entree-opleiding START. De middag was een mengeling van theorie, ervaringsoefeningen en een autismewandeling door de school, gecombineerd met jouw ervaringsverhaal.

We sluiten af met de wandeling. Halverwege de wandeling passeren we toegangspoortjes. Deze poortjes openen niet automatisch nadat we de bezoekerspas erdoor gehaald hebben. Jij stagneert en raakt, bijna niet zichtbaar, in lichtelijke paniek. Ik zie dit, de groep is het nog niet opgevallen. Voor mij als trainer ‘lesstof’ die we meteen toe kunnen passen. Voor jou natuurlijk vervelend. Toch weten we hier samen meteen een positieve draai aan te geven.

Ik vraag de groep even te stoppen en stel aan jou de vraag wat er gaande is. Jij legt uit: “Er gebeurt iets anders dan ik vooraf gedacht had. Ik weet niet wat ik moet doen en sta dus even als aan de grond genageld”. Wij als trainers kunnen dit voorbeeld meteen koppelen aan een ervaringsoefening die de deelnemers vlak daarvoor gedaan hebben. Wat gebeurt er met je wanneer dingen anders gaan dan je gewend bent? Je hebt tijd nodig. Dingen gaan niet automatisch, dus je moet ontdekken wat wel te doen. Dit kost tijd en gaat soms gepaard met paniek. Hetgeen jij, Roy, door deze situatie meteen hebt laten zien.

Dit voorval, maar ook de rest van de wandeling, maakt indruk op de docenten. Het opent ze de ogen om door een ruimte te lopen met jou naast zich, waar ze op andere dagen ‘gewoon’ door hun school lopen zonder acht te slaan op de aspecten waar jij ze op wijst. De cirkel is hiermee rond. Onze verhalen versterken elkaar en het bevestigt voor mij dat ik  geen enkele training meer wil geven zonder ervaringsdeskundigen.

Sextortion? Sexting? Grooming? Over piemels gesproken

06, apr, 2017

Jolanda Bergsma, consulent en trainer bij MEE en procesverantwoordelijke toewijzing en uitvoering zorgcoordinatie ketenaanpak jeugdprostitutie/loverboys NOG

Er is op dit moment veel aandacht voor sexting en sextortion; online verspreiding van en afpersing met naaktfoto’s of –video’s. Het aantal meldingen van online misbruik van kinderen en jongeren is in de afgelopen tijd met bijna 20% gestegen. De helft van die meldingen kwam van jongeren tussen de 8 en 25 jaar.

Jaarlijks geef ik vanuit MEE tussen de 60 en 80 gastlessen op scholen over sexting, sextortion, grooming, loverboys en de rol van social media hierbij. Dit aantal neemt sinds het begin van 2017 rap toe. Opvallend is dat deze vragen bijna niet vanuit scholen in het speciaal onderwijs komen. Terwijl juist deze doelgroep zo kwetsbaar is als het gaat om het versturen van naaktfoto’s en de mogelijke dreiging daarna.

Ik heb mij afgevraagd waarom er rond dit thema niet of nauwelijks vragen binnenkomen, terwijl het zo’n hot item is en in de klassen waar ik komt 80% aangeeft al eens te maken te hebben gehad met online verspreiding van naaktfoto’s. Ook in de trainingen die ik geef aan professionals, geven professionals aan er veel mee te maken te hebben. Jongeren zijn zich niet bewust van de effecten van het doorsturen van naaktfoto’s. Vanuit ethisch opzicht niet, maar ook niet vanuit juridisch opzicht. Opvallend is dat zowel de jongeren als de professionals weinig kennis hebben over deze problematiek en niet weten dat, als het gaat om een minderjarige, we spreken van kinderporno. Dit is gewoon strafbaar. Voor leerkrachten is het tegelijkertijd ook een lastig onderwerp; kennis, maar ook handelingsverlegenheid spelen hierbij een rol.

En bovendien, spreken we wel de juiste taal? We hebben het over sociale media en online weerbaarheid, maar sluit dit aan bij de belevingswereld van de jongeren waar het om gaat? Zij hebben het in de gesprekken met mij over piemels. In mijn beleving zijn dit termen die niet ‘triggeren’ en zeker niet verwijzen naar deze steeds groter wordende problematiek.

Binnen MEE heeft een collega van mij onlangs een prachtige cursus voor jongeren ontwikkeld (Vind ik leuk – leren omgaan met internet en social media) waarin ook deze thema’s zijn opgenomen. Laten we dezelfde taal gaan spreken!

Derde kerstdag

27, dec, 2016

Hanneke, consulent (MEE Plus)

Elk jaar zie je het weer: versierde bomen, lichtjes in huis, kleding met glitters in de winkel, dansende kerstmannen… Voor de meeste mensen een prachtige tijd vol gezelligheid, familie, vrienden en warmte van de mensen om je heen.

Jammer genoeg geldt dit niet voor iedereen. Half november vorig jaar was ik bij een gezin met drie kinderen. Alle drie jongens met ‘genoeg energie voor een dag van 48 uur’ zoals moeder het zo mooi zei. De oudste van 8, Frank, had daarnaast een dubbele diagnose: autisme en adhd. Het gesprek verliep anders dan de andere gesprekken die we hadden gehad. Ik merkte dat moeder meer dan gebruikelijk gehaast was, snel sprak en kortaf reageerde. Wanneer ik dit vertel, legt ze uit dat het komt door de ‘december-drukte’, die in het gezin start met de eerste aflevering van het Sinterklaasjournaal. Zij en haar man proberen het buiten de deur te houden, maar met twee kinderen op school kunnen ze er niet meer om heen.

Prikkels beperken en overzicht houden
Door de jaren heen hebben ze geleerd de schade te beperken. Ze zorgen voor een duidelijk planning voor de kinderen. Hebben schoenzetkalenders, cadeaus ingepakt in doorzichtig folie, de afspraak met Sinterklaas dat hij al ruim voor 5 december bij ze langs komt en extra bezoekjes aan speeltuinen en het bos. Wanneer we hierover in gesprek zijn, merk ik dat de ouders al het nodige doen om prikkels te beperken en het voor de kinderen zo overzichtelijk mogelijk te houden. Als ik moeder vraag waar ze het meeste tegenop ziet is ze duidelijk: “Tweede kerstdag, bij mijn ouders.”

Kerstdiner met 26 mensen
Tradities zijn erg belangrijk in de familie van moeder. Eén van de tradities is een kerstdiner waarvoor iedereen wordt verwacht in het ouderlijk huis. In plaats van de zes gangen zijn het er nog maar drie, maar moeder krijgt er alsnog de zenuwen van. Ze vertelt over het jaar ervoor. Als ze aan het praten is, zie ik het bijna voor me: een woonkamer waarin extra tafels en stoelen staan met opa, oma, 10 volwassenen en 14 kinderen. Daar zou ik zelf al moeite mee hebben, laat staan een kind van 8 met autisme en adhd dat toch al gespannen is. Vorig jaar ging er glaswerk om toen er te druk werd gespeeld. Aangezien Frank op dat moment net een misstap zette en struikelde over een kleed, was hij de schuldige.

Als ik zie hoe veel spanning moeder nú al heeft, anderhalve maand van te voren, vind ik het verstandig hier over door te praten. Dan blijkt het kerstdiner al jaren een grote stressfactor te zijn. Moeder en vader merken aan de reacties van de andere volwassenen dat zij vinden dat hun drie kinderen te druk zijn. De andere kinderen zijn rustiger, maar laten zich wel meeslepen door Frank en zijn broertjes.

Kan dit wel?
Tijdens ons gesprek, vraag ik aan moeder of ze hier wel eens met vriendinnen over heeft gesproken. Ze zegt het er met haar buurvrouw over gehad te hebben. Omdat zij zo dichtbij woont, weet ze hoeveel geluid de kinderen kunnen maken. De buurvrouw had gezegd dat ze dan maar niet moet gaan. Moeder zegt dit verontwaardigd. Bewust laat ik een stilte vallen. Daarna vraag ik was ze van dat idee vindt. Ze wil iets zeggen, zwijgt even en dan: “Dat kán toch niet?”

Half januari ga ik weer op huisbezoek. Ontzettend benieuwd hoe tweede kerstdag uiteindelijk is verlopen. Moeder doet open met een opgewekt gezicht. Binnen zit de buurvrouw. De buurvrouw die een fantastische steun blijkt te zijn geweest. Moeder vertelt dat ze na afloop van ons gesprek veel heeft nagedacht over het kerstdiner. Begin december, na een pittig weekend, heeft ze haar moeder gebeld om te vertellen dat ze dit jaar het kerstdiner op tweede kerstdag over zouden slaan. Ze opperde meteen om op 27 december op bezoek te komen. Het was duidelijk dat oma niet blij was met dit telefoontje. Toch ging ze akkoord.

Derde kerstdag
Moeder straalt als ze vertelt over derde kerstdag. Het huis was weer op orde, opa en oma hadden alle tijd voor de kinderen en Frank voelde zich niet gedwongen zich te meten met zijn oudere neefjes. Hij had de rust om met een Donald Duck op zijn vaste hoekje op de bank weg te kruipen.

Opa en oma vonden het raar dat één van de kinderen met haar gezin ontbrak tijdens het diner, maar het was alsnog druk genoeg. En er was zoveel over, wel makkelijk dat nu de restjes meteen opgemaakt konden worden. Misschien dat het vaker zo zou kunnen?

En wat als je het niet herkent?

30, nov, 2016

Raymond Schrijver, accountmanager MEE IJsseloevers

  • Dan is de kans groot dat iemand niet voor de tweede keer aan je balie komt;
  • Dan is de kans reëel dat iemand in een sociaal isolement terecht komt;
  • Dan ervaart deze persoon dat hij/zij van het kastje naar de muur gestuurd wordt;
  • Dan heeft je afspraak opnieuw niet alle spullen bij zich en denk jij geïrriteerd: ‘Dit had ik toch uitgelegd?!’;
  • Dan komt je afspraak opnieuw te laat. ‘Volgens mij wordt het tijd om boos te worden’;
  • Dan komt deze persoon afspraken niet na. ‘Hij wil gewoon niet en doet dit bewust’;
  • Dan komt je afspraak helemaal niet opdagen. ‘Hij is totaal niet gemotiveerd’;
  • Dan wordt je klant/cliënt snel boos, terwijl je het toch echt goed uitgelegd hebt.

Wat de gevolgen zijn van het niet herkennen van iemand met een licht verstandelijke beperking (LVB), is zeer verschillend. Maar dat de gevolgen groot zijn, zie ik vanuit mijn werk bij MEE IJsseloevers en MEE Veluwe dagelijks. Ik hoor te vaak organisaties die zeggen dat ze de doelgroep wel kennen, ervaring hebben met de doelgroep. Of ze zeggen mensen met een LVB helemaal niet te zien. Ik verbaas mij er elke keer weer over als ik met deze mede professionals in gesprek ga. Als je ze niet herkent, is er ook geen probleem.

Een eyeopener? Vast niet! Maar sinds in 2015 de drie decentralisaties plaats hebben gevonden, wordt van burgers wel verwacht dat zij op eigen kracht uit de problemen komen. Er wordt verwacht dat ze zelf de vraag stellen. Die zogeheten ‘participatiesamenleving’ levert voor mensen met LVB juist minder kansen op. Mijn ervaring is namelijk dat het vertrouwen op die eigen kracht in eerste instantie nu juist het probleem is. Mensen met LVB vinden het namelijk heel lastig om een hulpvraag te stellen. De maatschappij wordt steeds ingewikkelder en sneller. Er wordt ook meer en meer verwacht van iedere individu. Dat een grote groep steeds moeilijker mee kan komen, baart mij zorgen. Zij hebben hier de juiste ondersteuning bij nodig. Laagdrempelig. Door een professional die daadwerkelijk kan aansluiten bij de belevingswereld van iemand met LVB.

Mensen met een lichte verstandelijke beperking kampen namelijk vaak met meervoudige problemen. Er zijn vele factoren bij de persoon in kwestie én diens omgeving aanwezig die het dagelijks functioneren veelal negatief kunnen beïnvloeden. Door de complexiteit van de problematiek en het vaak ontbrekende sociale netwerk, heeft deze groep langdurige, vaak blijvende behoefte aan ondersteuning*. Dit begint bij kennis. Kennis in het herkennen en omgaan met mensen met LVB. Maar als je geen probleem denkt te hebben, omdat je ze niet herkent, dan is de cirkel weer rond.

Wat zou het mooi zijn als jullie ze wel zouden herkennen. Want als je het wel herkent, dan wordt iemand gezien. En als je iemand ziet, kun je ontmoeten en daadwerkelijk iets voor hem of haar betekenen. Het begint bij herkennen. Maar succes valt of staat met ontmoeten. Wat gun ik mensen met LVB dat zij iemand ontmoeten die dit kunstje onder de knie heeft. Diegene die dat wil ontdekken, nodig ik van harte uit mij te ontmoeten.

*Bron: http://www.meezhn.nl/media/1157/whitepaper-lvb.pdf

‘Nu het de week van de toegankelijkheid is, neemt u mijn beperking ook in?’

06, okt, 2016

Sazime Diler – Consulent in opleiding

Daar kwam een app van mijn vriendin. Of ik vanavond wat te doen heb. Eens even kijken. “Nou nee, niet bepaald”, appte ik terug. Ze vroeg me of ik dan met haar en andere vriendinnen mee uit eten wilde en daarna naar een club die goede muziek draait. ‘Toegankelijkheid’ begint bij mij al bij het kiezen van kleding. Want stel je voor, mijn geld valt op de grond en ik kan dan niet bepaald op mijn hurken om het op te pakken. Ik zal het dan moeten pakken met een beweging waarbij ik niet een te korte jurk aan moet hebben.

Om 18:30u werd ik opgehaald door mijn vriendin. Een andere vriendin zat voorin en ik vroeg haar vriendelijk of ze achterin wilde zitten. Ze antwoordde dat ze dat ook al van plan was. Ik zei op een ironische manier “Tja als je gehandicapten mee op stap neemt, heb je een aparte gebruiksaanwijzing voor die avond”. Waar zij “al die gehandicapten ook” op antwoordde. Al lachend gingen we richting het centrum van Arnhem.

We parkeerden bij de Rijnkade en ik bedenk altijd vooraf waar ik dan uit de auto stap, om de trap naar boven of de steile helling te vermijden. Beiden zijn minder toegankelijk voor mij. De energie die ik daar verbruik zal ik die avond nodig hebben om te swingen in de club. In de straat waar we zullen eten, is het bestraat met kinderkoppen. Ik ben al weleens gevallen omdat ik bleef haken achter een steen die net wat hoger was dan ik had ingeschat. Sindsdien let ik er heel goed op.

‘Ga ik het vlees zelf snijden?’
Aangekomen bij de eettent had ik enorme trek gekregen. Ik ben dan ook een echte vleeseter, dus bestelde ik een goed stuk vlees. Medium gebakken. Als het doorbakken is, dan is het te hard en voel ik me bij het kauwen net een koe en anderzijds is te sappig ook niet waar ik van houd. Na enig moment gewacht te hebben kregen we ons diner voor ons. Het zag er goed uit, maar er gingen belletjes rinkelen. Ga ik zelf het vlees snijden? Of laat ik het achter doen? Ik heb het in eerste instantie zelf geprobeerd, maar ik heb niet de kracht om dit bij het gehele stuk vlees te doen, want ja, ik wil nog swingen! Ik heb het maar aan de ober gevraagd; ik zou ook niet willen dat mijn stuk vlees bij een ander op bord komt of, erger nog, in het gezicht. Alle dramatische situaties zie ik dan natuurlijk voor me, als beelddenker. Ik heb de ober gevraagd of hij het voor mij in stukjes wil snijden, omdat ik daar de kracht niet voor heb. Hij zei dat hij dat wel wilde doen. Hij kwam terug met het vlees, en ik overdrijf (niet), in 1001 stukken. Ik moest wel even grinniken. Ik laat niet graag iets over aan anderen, dit was dan ook een bevestiging. Ik maakte nog een grapje of hij het de volgende keer ook kon pureren. “Zelfs dat wil ik voor je doen” grapte hij terug. Tenslotte vond ik de bejegening erg fijn. Het voelde niet bezwaard.

Nadat we gegeten hadden, stapten we weer in de auto. Bij de beroemde blauwe golven onder de brug – klinkt spannend maar is het niet – zijn de invalide parkeerplekken. Welgeteld heb je er 10 en, ja. alle 10 waren bezet. Het was inmiddels al rond 22:00 uur. De overweging om daar uit te stappen en op de rest te wachten, maakte ik natuurlijk direct. Mar toen ik de deur opende, zag ik dat er een groep jongeren onze kant opkeek en in mum van tijd deed ik de deur weer dicht, en besloot ik toch maar met ze mee te rijden. Gelukkig vonden we een parkeerplek in de buurt, maar ik moest wel meer energie inleveren die ik zou gaan gebruiken voor, jawel, het swingen!

Het dilemma van het swingen
Aangekomen bij de club, waar we de nacht verder zullen doorbrengen, zag ik dat het nog niet druk was. Daarom konden we nog een mooi ‘toegankelijk’ plekje uitzoeken. Dat wil zeggen, het was een mooi plekje uiteraard, maar het was veel minder toegankelijk. Te hoge barkrukjes, te hoge tafels, geen wc op de begane grond. Wanneer het drukker wordt, kan ik niet met mijn glas drinken tussen al die swingende mensen door vanaf de bar naar mijn zitplaats. Dan ben ik bang dat ik val of ik word aan de kant geswingd. Gelukkig ben ik assertief genoeg om de mensen die de lege glazen ophalen, te vragen of ze de volgende ronde drinken voor me mee willen nemen. En dat doen ze.

Even terug naar de te hoge barkrukjes en hoge tafels. Ik heb mijn eigen manier gevonden, met hulp die ik krijg van de dames, om bijna letterlijk zo’n kruk te beklimmen. Ik zit. Ik tank dan energie bij om vervolgens te kunnen swingen. Of ik houd mezelf (of jullie) voor de gek, want ik weet dat als ik inderdaad ga swingen, ik weer moet klimmen en klauteren om na het swingen weer tot rust te komen op de te hoge barkruk.

Maar dan….  
Kom je op je stage en zie je het volgende:
Er zijn 4 parkeerplaatsen voor de invaliden. Er stonden al 2 auto’s zonder een invalideparkeerkaart geparkeerd, er komt er nog 1 aanrijden en die ging er ook zonder invalideparkeerkaart staan. Als we de wereld willen veranderen, moeten we dan niet bij onszelf beginnen? Hoe toegankelijk zijn wij? Ben jij? Zeg jij er wat van als je dit ziet gebeuren? Ik (indirect) wel.

Had je deze toevallig op je autoruit? Dan was ik dat! Jij bent (nog) niet toegankelijk! 🙂

blog-sazime

“LVB-jongeren vallen te makkelijk buiten de boot” Gemeente Noordoostpolder heeft primeur!

17, feb, 2016

Raymond Schrijver, accountmanager MEE IJsseloevers

2 februari 2016: Pieter Hilhorst en Jos van der Lans trekken in hun reeks over de beloften van de decentralisaties aan de bel: kort gezegd, een specifieke groep jongeren tussen pakweg de 16 en 25 jaar past de nieuwe aanpak, waarbij generalisten tot individueel maatwerk moeten komen, niet. Volgens Hilhorst en Van der Lans gaat het “hier om jongeren die via het speciaal onderwijs hun route naar volwassenheid volgen. Maar je vindt ze niet alleen daar, ook in het vmbo vallen ze op door bijvoorbeeld overmatig schoolverzuim. Een beetje gemeente mag toch al gauw op een jaarlijkse toestroom van een kleine honderd jongeren uit deze categorie rekenen”. Ze constateren dan nieuw aangetreden professionele troepen in het sociale domein de grootst mogelijke moeite hebben om op deze categorie greep te krijgen, hetgeen versterkt wordt door het overschrijven van de leeftijdsgrens van 18 jaar en daarmee het moeten verhuizen van de ene koker naar de andere koker.

In hun artikel pleiten ze dat deze, verre van geringe, groep jongeren een risicogroep vormt die eigenlijk gebaat is bij ‘een vinger aan de pols’. Een soort levenscoach, die tegelijkertijd aanspreekpunt en vertrouwenspersoon is, maar ook tijdig kan opschalen naar professionele ondersteuning als de boel ontspoort. Want “niet zelden zijn ze licht verstandelijk beperkt, slagen hun ouders er niet in om eenduidig richting te geven en hebben ze moeite om overeind te blijven.” Het zou kunnen voorkomen dat deze jongeren gaan zwerven, drugs of drank gaan gebruiken, verwikkeld raken in het criminele circuit of op een andere manier verwijderd raken van stabiele en gezonde sociale netwerken. Maar, om de lat nog een tandje hoger te leggen, zou het moeten gaan om een concept waarin problemen niet direct opgelost worden door professionals, maar door een samenspel tussen informele en formele krachten.

Terecht besluit het artikel met de vraag: welke gemeente neemt het initiatief?

En zie hier de primeur. De gemeente Noordoostpolder heeft als eerste gemeente ingestemd met de inzet van een MEE Levenscoach voor mensen die, als gevolg van bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperking of autisme, levensbreed en levenslang behoefte hebben aan en baat hebben bij ondersteuning. Een coach die structureel op essentiële kruispunten aanwezig is. Want uit onderzoek blijkt dat uitval zelden gerelateerd is aan bijvoorbeeld school of werk.

De MEE Levenscoach denkt samen met de betrokkene(n) na over de toekomst. Hierdoor komt er zicht op de gevolgen van de beperking op de jongere of het gezin en er komt zicht op een passend aanbod van behandeling of ontwikkeling. Door op structurele momenten, levensdomein doorbrekend en laagdrempelig in gesprek te gaan, voorkom je langdurige afhankelijkheid van voorzieningen op het moment dat preventieve inzet nog mogelijk is. Het direct mobiliseren van het informele netwerk om iemand heen, als onderdeel van de werkwijze, zorgt daarnaast voor een duurzame borging op lange termijn. Waarbij de professional alleen op die momenten ingezet wordt, waar dat nodig is. Een voorbeeld pur sang van het resultaat van flexibel kunnen op- en afschalen, dé transformatieopdracht.

Eindelijk een gemeente die daadwerkelijk de mogelijkheid biedt, handen en voeten te geven aan een visie die vaak door iedereen wordt omarmt, maar zelden in de praktijk wordt uitgevoerd. Wie volgt?

Kennis delen in het sociaal domein – Jan Peter Stolte

22, mrt, 2015

Jan Peter Stolte, beleidsadviseur

“Professionals met elkaar verbinden”

In de afgelopen jaren hebben we, gemeenten en organisaties binnen zorg en welzijn, met elkaar vooral veel nagedacht over hoe we zorg en ondersteuning lokaal kunnen gaan organiseren. Er zijn vele vellen papier volgeschreven en hier en daar hebben we in proeftuinen, pilots of experimenten getracht in de praktijk te brengen wat we op papier hadden opgeschreven. De vraag is of we hiermee al aan het transformeren zijn of dat we de oude wijn in nieuwe zakken aan het gieten zijn?

In het voorjaar van 2014 heb ik een praktijkgericht onderzoek gedaan in een gemeente in ons werkgebied, waarbij ik gekeken heb naar de wijze waarop een sociaal team omgaat met een langdurige ondersteuningsvraag van een volwassen vrouw met een licht verstandelijke beperking die zelfstandig wil gaan wonen. Ik heb geconstateerd dat de kloof tussen beleid en praktijk nog erg groot is. Veel professionals in sociale teams hebben nog weinig ervaring met de doelgroepen van MEE. Het aanboren van eigen kracht, krachten vanuit het netwerk en buurtkracht is bij deze doelgroepen lastiger dan het op papier in beleidstaal is verwoord. Het risico van deze hoge verwachtingen is dat zorg en ondersteuning voor de lange termijn niet goed geregeld zijn omdat het netwerk en de buurt afgehaakt zijn.

Oneliner: Transformeren kan niet los gezien worden van het behouden van bestaande kennis en expertise Het gaat om het op een andere manier inzetten van deze kennis!

Naar een integrale aanpak – Marieke Schoonderwoerd

22, mrt, 2015

Marieke Schoonderwoerd, projectleider MEE

“Samen zoeken naar de beste oplossing”

1huishouden1aanpak, 1gezin1plan1hulpverlener, regie terug naar het gezin/de cliënt/de burger.. Hoe vaak zijn deze termen inmiddels niet gevallen? De verhalen gingen flink rond, over ‘multi-probleemgezinnen’ waar de ene hulpverlener de deur nog niet uit was, of de volgende stond alweer op de stoep. Hulpverleners met precies dezelfde vragen: hoe is het met de financiën, hoe gaat het met de opvoeding? Hulpverleners met tegengestelde adviezen: misschien is het goed als vader de kinderen niet te vaak ziet. Misschien is het goed als het kind de vader wat vaker ziet. Als moeder in het gezin, word je er tureluurs van. Wat is nog goed? En kan ik dat zelf wel beslissen? Als ik zelf in zo’n situatie zou zitten, zou ik er flink onzeker van worden..Het project ‘1huishouden1aanpak’ in Zwolle en Kampen, waarvan ik projectleider was in de aanloop naar de transities, heeft voor heel wat duidelijkheid gezorgd op dit thema. Naast alle formele resultaten, conclusies en adviezen, is bij mij vooral één ding blijven hangen: je krijgt dit alleen voor elkaar met sterke, onafhankelijke professionals met de juiste overtuiging en voldoende tools. Professionals die geschoold zijn in sociale netwerkversterking, die handelen vanuit verwondering, vanuit volledige gelijkwaardigheid. Professionals met zoveel respect voor de cliënt, dat cliënt en professional sámen durven te zoeken naar de beste oplossing. Zowel deze houding als de juiste tools moeten in de genen zitten van een organisatie, zodat elke professional wordt gevoed in zijn ontwikkeling hierin.

Vanaf 1 januari werken de meeste gemeenten met wijkteams of varianten daarvan. Hoe gaat het nu met 1huishouden1aanpak in de wijkteams? Ik constateer dat een gedeelte geborgd is, maar dat een specifiek onderdeel ervan extra aandacht behoeft…

1huishouden1aanpak is uiteen te rafelen in twee onderdelen: enerzijds ‘versterking eigen kracht en netwerkversterking’ en anderzijds ‘heldere regie’. Nu alle consulenten van MEE met overtuiging werken vanuit de methodiek en houding van SNV (sociale netwerkversterking), is het eerste stuk vanuit MEE geborgd. Wat nu nodig is, is dat dit binnen de wijkteams goed wordt uitgedragen: via scholing en het tijdelijk gezamenlijk oppakken van cliënten, of eventueel door dit stuk door de MEE-consulenten te laten doen.

Het tweede onderdeel, ‘heldere regie’, vraagt om extra aandacht. Uitgangspunt daarbij is regievoering door de cliënt zelf, indien nodig ondersteund door een professional. Daarvoor is het nodig dat er 1) goede hulpmiddelen zijn (zoals een afstemmingswebsite onder regie van de cliënt), 2) dat alle betrokken professionals en het netwerk van de cliënt de regie accepteren en 3) dat zij onderling helder communiceren over ‘wie wat wanneer’ doet. Dit stuk kan MEE natuurlijk niet alleen. Gemeenten zouden hierin duidelijk stelling moeten nemen en wijkteams zouden moeten erkennen dat je dit niet alleen bereikt door een wijkteamlid als regievoerder aan te wijzen. Hier zijn gerichte sturing, scholing en duidelijke afspraken –ook met professionals buiten de wijkteams- voor nodig.

Oneliner: Goede regievoering bereik je niet door alleen een regievoerder aan te wijzen.